Avondmaal
Hij heeft onhandig naar het brood gegrepen
en hield de beker te krampachtig vast.
Toen telde hij verstrooid de schaduwstrepen
der zilvren broodschaal op het wit damast.
Hij dacht er aan een kleine slok te nemen
omdat een grote hier toch ook niet past,
keek toen terzij naar mooie meisjesbenen
en dronk en zocht zijn zakdoek op de tast...
Zo zat hij bij U aan het avondmaal.
Hij zag het tafelkleed, het brood, de beker,
hij at, hij dronk, maar hij zag U voorbij.
En ik zat rechts van hem en schoof de schaal
hem haastig toe en keek, want ik was zeker
van een verwantschap tussen hem en mij.