|
Wyn, Liefde en Slaap
De muzelman
weêrstaat god Bacchus,
De monnik god Kupido;
Men biedt dien goden trots:
God Hypnus slechts is onweêrstaanbaar;
Hem volgt, gedwee en willig,
En turk en kloosterling.
De wijn baart dronkenschap, de liefde
Onkuischheid; maar het slaapen
Schenkt nuchterheid en tucht.
De dronkaart zoekt alom krakkeelen,
De onkuische vuile vreugden;
De slaapende ademt deugd.
't Vermaak, te drinken en te minnen,
Is vluchtig, als ons leven;
De dood fnuikt liefde en wiyn.
De slaap bepaalt zich aan geene eeuwen:
Want sterven wij in 't einde,
ô Dan eerst slaapen wy!
De schrandere arts verbiedt den kranken
't Gebruik des wyns, en tevens
't Genot der zoete min;
Terwyl zijn kunst daarop bedacht is,
Dat hy den zwakke lyder
Een' zachten slaap verschaff'.
Den stervenden walgt dartle wellust,
Ook walgt hem de eêlste nectar,
In 't veege tydgewricht:
En, vry van 't ondermaansche, haakt hij
In de uiterste oogenblikken
Naar de armen van den slaap.
O.C.F. Hoffham 1744 -
1799
Uit:
Proeve
van Slaapdichten 1784
|