Piet Paaltjens  Dichter-dominee  1835 - 1894                             


Beginpagina

Jeugdjaren in Leeuwarden

Studententijd in Leiden

Predikant in Foudgum

Predikant in Den Helder

Predikant in Schiedam

Over Piet Paaltens

Culinaire citaten

Gedichten over eten en drinken

Culinaire bloemlezing

Culinaire links

Culinaire reizen, kooklessen

Contact  muisje

De gasten werden in een Joods hotel ontvangen en de Joodse kellners begroetten hen gemeenzaam, net of ze allemaal familie waren; wanneer men van een democratische samenleving spreekt, is die van de Joden dit bij uitstek; met moeite konden de kellners zich als correcte bedienden gedragen, en als Simon Levi een gijntje maakte, zorgden ze in zijn buurt te zijn en lachten mede. In het gewirwar van de stemmen tijdens het eten van alle zoetigheid, kiks en bolus, bij een glas limonade of een kop koffie - er werd geen alcohol gedronken - geraakte Simon Levi in een toestand van uitgelatenheid, waar hij zich geheel aan overgaf. Als Levi Augurk nu een hoge hoed had gedragen, zou hij geen ogenblik hebben geaarzeld die van zijn hoofd te mikken.
‘Simon, ik heb me over je geschaamd. Daar loop jij, daar zit jij, als vader van de bruidegom in een broek, zoals ik die in mijn leven nog niet heb gezien.’
‘Wat mankeert er aan die broek?’
‘Komt men in zo'n broek in de synagoge? Is dat een broek voor een plechtigheid als een huwelijk? In het stadhuis keken de mensen er allemaal naar en daarom keek ik ook; er is meer op jouw broek gelet dan op bruid en bruidegom. Wil jij nog verder bij het feest in zo'n broek lopen?’
‘We komen straks langs een kledingmagazijn, en dan koop jij mij een nieuwe broek.’
‘Dat kan niet: ik heb mijn dochter vier duizend gulden als bruidsschat meegegeven, dan koop ik daar niet nog een broek bij.’
‘Nou, wat mij betreft, ik heb er geen bezwaar tegen de broek aan te houden. Ik zal jou eens wat vertellen: er was eens een man, en die at met zijn handen, of hij nou zuurkool at of pudding.’
‘Dat moet hij weten.’
‘Ja, maar toen was hij in een Joods hotel, en daar aten ze sneden roastbeef met slabonen en gebakken aardappels met appelmoes en zwezerik in kalfsvet en toen at hij weer met zijn handen, en de eigenaar van het hotel ging met een dikke sigaar in zijn mond naar hem toe en zei: “Eet u ook met uw handen, als u in een Christen-hotel eet? Wat zou de eigenaar van zo'n hotel zeggen, mijnheer, als hij u zo zag eten?’
‘Dan zou hij zeggen,’ antwoordde de Jood: ‘maak als de weerlicht, dat u naar een Joods hotel komt, daar kunt u met uw handen eten.’

Josef Cohen
"Mensen met Sterren" dl 2, 'Nacht'.
G.W. Breughel, 1946