Piet Paaltjens  Dichter-dominee  1835 - 1894                             


Beginpagina

Jeugdjaren in Leeuwarden

Studententijd in Leiden

Predikant in Foudgum

Predikant in Den Helder

Predikant in Schiedam

Over Piet Paaltens

Culinaire citaten

Gedichten over eten en drinken

Culinaire bloemlezing

Culinaire links

Culinaire reizen, kooklessen

Contact  muisje

Het Galgenmaal (fragment)                


Ankoli zette op de gedekte tafel een andere roodgekapte lamp en stak die aan. De kamer van den inspecteur was op weelderige, zonderlinge wijze gemeubeld.
Uit het midden van de zoldering hing een donker blauwe draperie die schuins naar de wanden toegetrokken was, zoodat dit intérieur het inwendige van een vierkante tent geleek. Onder het doek hingen op den witten wand fotografieën in vergulde lijsten, ook gekleurde platen, een eikenhouten bureau stond vol portretten achter glazen standaards, naast het bureau een hooge lamp van gepolijst koper, maar die lamp brandde niet. Op den vloer lagen dikke, biezen matten en voor een aantal rood lederen fauteuils bij een Oostersch tafeltje, waarop kisten sigaren, sigaretten en lucifers, lag een fraai Perzisch tapijtje. Zij gingen dan met hun vieren aan tafel zitten, terwijl Ankoli bediende. Ditmaal werd er geen enkel gerecht uit het blik gegeten. Het waren versche groenten uit den kleinen moestuin achter het huis, soep van schildpadden uit den Congo, visch óók uit de rivier, en vleesch van een antiloop in de bosschen geschoten. Er werd geen andere wijn dan champagne geschonken. De inspecteur at en dronk onmatig veel. Zijn bleeke, pafferige, groote kop begon te glimmen, zweetdruppeltjes kwamen er op zijn voorhoofd, hij lachte zwaar en verslikte zich toen Van Pel iets grappigs vertelde. Zelf schonk hij dikwijls het glas van den witte vol.
‘Je drinkt niet zeg!’ zeide hij dan, maar hij keek hem daarbij niet aan.
De witte voelde zijn denken onzuiver worden, al zijn gewaarwordingen geraakten afgestompt, met daartusschen even zeer heldere momenten. Zoo zag hij eens heel duidelijk den kleinen, blonden Van Pel, die strak en als verdwaasd den inspecteur in de oogen keek, terwijl deze een homp brood stuk brak, een groot brok in zijn wijdgeopende mond duwde, en daarop grinnikte met volgepropte wangen, waarna hij Van Pel onverwacht hard op den rug klopte, zoodat deze begon te hoesten. Of wel, hij zag de zwarte, vettige vingers van Ankoli die zijn gebruikte bord, mes en vork, behendig voor hem wegnam, er dan schoon gerei voor in de plaats zette, en hij rook den zoetigen, sterken lijfgeur van den neger die naakt onder zijn dunnen katoenen pano was.
Zijn oogleden werden zwaar, het was of zijne leden verlamd geraakten. Hij antwoordde met enkele woorden den inspecteur die met afgewende oogen vleesch op zijn bord sneed en hem maande toch van den champagne te drinken, ‘die was schaars ‘boven’, en hij lachte schamper.
De witte dronk wederom van den wijn en voelde zijn afgestomptheid nog toenemen. Hij grijnsde toen den Brul iets zeide dat hij niet verstaan kon.
De inspecteur glunderde voor het voedsel dat hij zich op zijn bord geladen had en mompelde dan: ‘Best gebraden, fijn, lekker ruggetje van een best beestje, Ankoli kent het klappen van de zweep. Hij weet waar Abraham de mosterd haalt.’
De witte had een vaag vermoeden dat hij met drie waan-zinnigen aan tafel zat en hij zelf zou weldra ook krankzinnig worden. Het gierend gonzen van den nacht buiten en het suizen in zijn hoofd scheen nu in een te warren. Hij lette niet meer op de rond de lamp zwermende torren die hij bij het begin van den maaltijd zoo hinderlijk had gevonden, zij liepen in zijn nek, in zijn hemdsmouwen en over zijne handen, maar hij voelde het niet.
Toen het maal was afgeloopen, noodigde de inspecteur hen uit om bij het rooktafeltje in de gemakkelijke stoelen te gaan zitten. Dat deden zij en Ankoli presenteerde de sigaren en de koffie en schonk ook likeuren in kleine, kristallen glaasjes met vergulde figuurtjes er op.
Een wijle hoorde hij de doffe, als achter een voorhang brommende stemmen van de anderen niet meer, maar hij zag hen zwijgend rooken, en soms met de handen den rook wuiven naar zich toe.

Henri van Booven  1877 - 1964
Bron: Tropenwee.  Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur. Amsterdam 1904