Piet Paaltjens  Dichter-dominee  1835 - 1894                             


Beginpagina

Jeugdjaren in Leeuwarden

Studententijd in Leiden

Predikant in Foudgum

Predikant in Den Helder

Predikant in Schiedam

Over Piet Paaltens

Culinaire citaten

Gedichten over eten en drinken

Culinaire bloemlezing

Culinaire links

Culinaire reizen, kooklessen

Contact  muisje

Van de onzalige erfenis
(fragment)

Aan het eindelijke einde van de gang scheen een schijnsel, vaag, blauwig, als van een sulfer-wazig
manelicht. De erfgenaam wankelde binnen. Nu strekte een groote hal zich uit, en in de wazige sulfer-
blauwte zag hij als schimmen om tafels, die stoomden van spijzen. In het midden grijnsde een everzwijn,
zwart gezwollen van truffel, en het gluurde hem aan met gouden oogen van gelei. Pauwen waaierden hunne staarten uit als wielen van smaragd, maar onder al hun juweelen geveêrte, dropen zij op gouden schalen uit van geurig vet, en het scheen hem toe, dat hunne kralen van oogen hem lokten als de oogen van meiden. Tusschen ijs en kristal, glimlachten parelmoêrige visschen met openen bek, en uit meren van vanille- gespikkelde saus stapelden vruchten zich op: barstende watermeloenen, perziken als meisjeskopjes, en druive-trossen zonder waas, maar doorschijnend, groot als amethysten wijnzakken wijns... Uit buigende amforen, stortte wijn zich in kelken, fonteinen gelijk... En om de tafel bewogen, feestend, maar stil in den dood, gestalten geharnast, in koningsmantel, priesterdalmatiek, vrouwen naakt, en als keizerinnen gekleed, aan hare voeten gedrochten van dwergen, en edele hazewinden.

- Eet, zeide de heks.
De erfgenaam aarzelde.
- Eet! herhaalde de heks. Feest dan met je voorvaders, en erf de plaats, die je toekomt aan hun banket
eeuwig.
De erfgenaam strekte zijn hand nu uit en gretig greep hij met beide handen, in de truffels van het zwijn,
in de geurige vette pauwenborst. Zijn mond, zijn baard, zijn geheele lichaam droop van de blonde saus, en in plaats van een beker te vatten, greep hij een groote amfoor, dronk ze leêg. Toen sloeg hij om den
vruchtenstapel zijn armen, prangde het ooft aan zijn borst, en hapte er in; de perziken en de druiven
hagelden om hem rond. Omdat de heks boven op den stapel ooft was gaan zitten, de knieën hoog tot haar kin getrokken, omhelsde hij de heks meê, en beet in haar mond, denkende, dat die een vrucht was.
- Is je honger gestild? vroeg de heks.
- Neen! snakte de erfgenaam hijgend.
- Eet dan... Zwelg! wees zij naar de tafel.
Toen gooide hij zich op de tafel, als op een rustbed, en hij wentelde in de spijzen, hij opende den mond
onder den fonteinenstraal der amforen... Maar plotseling werd hij zich bewust, dat hij lag op den steenen
grond, in een kille plas van modder.
Hij hief zich half, loom, op... De heks stond altijd voor hem. Zij brulde van het lachen... Het banket was
verzwijmd, en alleen een vage nachtschijn drong in de zaal binnen, door de boogramen, wier ruiten lagen in scherven. Een koude tocht woei...
- Je hebt te veel willen zwelgen! brulde de heks.
Hij stond op, verdierlijkt, en zijn lichaam droop niet van saus, maar van modder.
- Is je honger gestild? herhaalde de heks.
Een smaak van bitteren alsem was als gal in zijn mond, maar zijn maag groef zich leêg... Hij rilde
.
Louis Couperus - Over lichtende drempels (1902)
editie H.T.M. van Vliet, J.B. Robert en Gerard Nijenhuis
L.J. Veen, Amsterdam/Antwerpen 1993