Des werkmans hulde aan Schiedam Geen beter stad in 't Vaderland, Dat - wie 't me ook kwalijk nam - Hield ik steeds vol met hand en tand, Dan 't nijverig SCHIEDAM! Daar heerscht een stage werkzaamheid, Waar men in 't rond ook blikt, En wordt de laafdrank 't best bereid, Die ons zo vaak verkwikt. Och, ziet mij nu zoo schuins niet aan, Gij heeren, rijk en groot! 'k Zou nooit me er in te buiten gaan, Schoon 'k vaak een snaps genoot; Maar ziet - ons gaat den neus voorbij Madera, fijne wijn; En Hemelnectarsnoeperij MOET ons Jenever zijn. Een slok, gebruikt ter regter tijd, Die geeft ons lust en moed; Als 't ligchaam zich aan d'arbeid wijdt, Doet hij de spieren goed. Slooft men zich dood-af, moe en lam, Dat men naar laafnis smacht, Dan geeft een slokje van SCHIEDAM Ons weêr vernieuwde kracht. 'k Ben ook ene vriend van matigheid; 'k Haat wie te veel soms plooit; Maar - 't zij eens ronduit gezeid - AFSCHAFFER wordt ik nooit. 'k Maak ook geen afgod van mijn buik; - Wie dat doet is een zot: - Maar 'k prijs te zijner tijd 't gebruik Van wat strekt tot genot. En daarom, heeren, laag en hoog! Schimpt ge op Jeneverpest, 'k Zeg toch, soms smaakt een fiksche toog Schiedammer opperbest. 'k Ben heusch niet bang voor dat venijn, Al kijkt ge ook nog zo zuur, Maar 'k heb een afschrik van den wijn, Want - die is mij te duur. Misgunt ons dus het slokje niet, Dat zoo weldadig werkt; Dat heulsap is in 't zielsverdriet, En onze krachten sterkt; Want of er 't bloed U ook om kookt. - En wie 't mij ooit kwalijk nam - Jenever wordt er 't best gestookt; Daarom 'VIVAT SCHIEDAM!' Ernst Frank Bron: Jaarboekje voor de Stad en het Kanton Schiedam (1859) Uit: Groeten uit Zwart Nazareth. Gedichten over Schiedam Boekhandel Post Scriptum VOF Schiedam 2004 |